We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Mijn dochter deelde laatst via Whatsapp een foto van zichzelf, al suppend op een of ander kabbelend meertje. Voor de wat ouderen onder ons: suppen staat voor ‘stand up paddle’, dat wil zeggen ‘staande op een surfboard met een peddel jezelf voortbewegen op het water’. Het was zo rond een uur of zeven op een mooie beginzomeravond, de hemel kleurde oranjerood als voorbode dat de zon langzaam onder zou gaan. Het was een bijzonder mooi plaatje en toen ik mijn dochter zo zag stralen, fier rechtop op die plank met dat sterke nog jonge lichaam, voelde ik een steek van jaloezie door mijn lijf.
Ik laat me er altijd op voorstaan dat ik nooit jaloers ben op andermans geluk. Of het nu gaat om een vakantie, prachtig nieuw huis of een goed gevulde bankrekening, mij zal je niet snel betrappen op afgunst. Maar nu dus wel even dat momentje waarop ik dacht: godsamme…Ik zal nooit de geneugte van dat suppen mogen beleven. Daar ben ik simpelweg te oud en te stram voor. Dezelfde herkenbare ervaring had ik zo’n jaar of tien geleden toen ik met mijn collega’s een stadswandeling door Amsterdam maakte. We kwamen in een booming ontwikkelbuurt terecht en dronken een biertje op het terras van een fabrieksloods, verbouwd tot mega hippe dancing/kroeg.
Van buiten zag het er inderdaad nog uit als een fabrieksloods, vastgespijkerd met golfplaten en binnen een plafond met roestige buizen en pijpen, met zand op de houten plankenvoer en hier en daar vetplanten in terracotta potten, quasi nonchalant daar neer gestyled. Ik zag ook een draaitafel staan en dacht aan mijn middelste dochter die hier vaak de hele avond danste op soulmuziek, het liefst op blote voeten en tussendoor waarschijnlijk een duik nemend in het nabijgelegen binnenwatertje.
Zelden heb ik het verlangen dat ik terug wil naar die jonge 20er jaren, maar op dat moment had ik wel terug geschoten willen worden naar de tijd dat alles nog mogelijk was. Dat jongens nog hun hoofd naar je omdraaiden en dat je het dan helemaal niet in de gaten had, volledig in beslag genomen door de twijfel of je dat bovenste knoopje van je blouse nu open moest laten of juist dicht, het hoofd naar beneden, het eigen decolleté controlerend. Ik vertel mijn dochters over de nostalgie die de sup-foto bij mij opwekt.
En ze komen meteen met goedbedoelde peptalk. ‘Dan gaan we dat toch regelen, Ma!’ In plaats van een boottochtje door de grachten, beloven ze mij een volgende keer te gaan suppen met het hele gezin. Ik houd me graag groot en vitaal tegenover de dochters, maar dat suppen gaat hem echt niet meer worden. Dat heb ik veertig jaar geleden eigenlijk al voorzien, toen het suppen nog niet eens bestond. Mijn jongste zus, een sportieve en energieke meid, zou mij wel even de fijne kneepjes van het surfen bijbrengen. Dat was in het begin van de 80er jaren de nieuwe hit op het water, vergelijkbaar met de hype van het suppen van nu. De zus had ook haar eigen surfplank en een paar gespierde armen en benen door het handballen op hoog niveau.
Haar leerling, ik dus, was daarentegen meer het type boekenwurm en ik had niet veel talent voor balanceren op een wiebelige plank. Ik weet wel dat mijn zus tot de dag van vandaag niet meer zo hard heeft gelachen als toen op die mooie zomerdag waarop het mij niet lukte langer dan twee seconden rechtop te blijven staan.
Zusson of zussen?
Het zijn zussen, maar ze noemen zich zusson.