We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
We gingen dit jaar weer eens naar Frankrijk op vakantie en hadden ons goed voorbereid. In het zijvakje van de rugzak de twee geplastificeerde registratiekaarten van onze coronavaccinaties, twee stuks p.p. en daarnaast op onze mobieltjes de corona-app met het bewijs van onze gemeenschapszin; ikzelf een stoutmoedige early adopter met mijn Astra Zeneca, in de volksmond ook wel Arsenicum genoemd. Het voelde een beetje als een deceptie dat we bij de grensovergang (welke grensovergang?) of bij de tolwegpoortjes nergens gecontroleerd werden op onze inzet en goed gedrag.
“Het is maar vorm hoor, sprak mijn zus vergoelijkend. Ik had op die zonnige vakantiedag aan het Franse meer voor het eerst sinds jaren, in plaats van een tanga-borstrok, een bikinitop aangetrokken. Mijn spierwitte buik, die al die tijd geen daglicht had mogen verdragen, stak schuchter naar voren. Maar we zaten daar slechts in onze eigen bubbel van vier aan dat meer. Voor de rest veel ingetogen Fransen en een paar luidruchtige Nederlanders waarvan ik niemand kende en van wie ook geen enkele persoon enige belangstelling toonde voor die lelieblanke, groter gegroeide buik van mij.
Nu is mijn zus al wat verder op het spirituele pad getreden en kan zij makkelijker praten en prangende levenskwesties naast zich neerleggen. Die buik, die mij de laatste jaren behoorlijk in de weg zit, is maar een onderdeel van mijn lichaam, een stukje van mijn psyche, van mijn hele wezen. En verhip: toen ik het verkoelende water indook en even later de kant weer opkroop, voelde ik een soort van triomf op mezelf, op mijn eigen onnodige schaamtegevoelens. Ze had helemaal gelijk, die wijze jongste zus van mij.
Later die week waren we aan het fietsen door het glooiende groene landschap van de Jura. Ik was heel gelukkig want onderweg kwamen we veel hooibalen tegen en zoals de trouwe lezers inmiddels kunnen weten vind ik hooi heel mooi. En later zagen we aan de rand van het bos opgestapelde boomstammetjes, een kunstwerk van cirkels, zorgvuldig in een diagonaal patroon gerangschikt. Ik wil dat hout dan altijd even aanraken, er zelfs aan ruiken en dat kon nu ook, want we waren nog steeds met zijn vieren en voor de rest geen levende ziel te bekennen, geen haan die er naar kraaide wat ik daar bij die boomstammetjes aan het uitvoeren was.
De zus stelde voor om even te pauzeren om wat foto’s te maken. Ze had behoefte aan een paar ‘knappe’ kiekjes voor haar sociale media, en ik eigenlijk ook. En zo positioneerden we ons voor de hooibalen, voor het veld met zonnebloemen en aan de rand van het bos met de boomstammenwand als achtergrond terwijl de mannen geduldig op ons wachtten. Maar dat geduld raakte gaandeweg toch op, want de fotosessie duurde en duurde maar. Ik moest iedere keer weer opnieuw een foto van mijn zus schieten.
Het licht was niet goed, de achtergrond te wazig of juist te scherp, te veraf, nee deze is te dichtbij. Maar aan haar zus durfde ze het wel te bekennen: de crux bleek in feite bij haar onderkin te liggen, die iedere keer weer nadrukkelijk in beeld kwam. “Het is maar vorm hoor”, zo sprak ik geruststellend en ik ving haar schaterlach in een prachtig portret, als was deze door een topfotograaf genomen.