We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Het zou door de leeftijd kunnen komen, versterkt door het Coronatijdperk waar we nu een klein half jaar in leven. Net zoals het zorghormoon bij vrouwen op leeftijd sterk afneemt en bij sommige zelfs helemaal oplost, zo verdwijnt bij mij de meest minieme animo tot discussiëren en tussen de mensen verkeren.
De stemmen van de verjaardagsvisite klinken na de koffie en het eerste biertje steeds luider en ik reageer er bijna fysiek op, nerveus en op mijn hoede. Het kan over een televisieprogramma gaan, de nieuwe auto van de buurman (“waar doet hij het allemaal van…”) over de komende verkiezingen in Amerika en of Trump nu juist een goede president is, dan wel een gevaar voor eigen volk en vaderland belichaamt. Maar het lijkt bijna altijd in plaats van een dialoog een steekspel te zijn van aanval en verdediging. De een is fel tégen het dragen van mondkapjes (“Waanzin!”) en lacht degene die er ingetrapt is schamper uit.
De meeste anderen schikken zich in de nieuwe werkelijkheid en accepteren berustend dat 2020 straks een andersoortig, maar niet per se verloren jaar zal zijn geweest. In de bus op weg naar mijn werk draag ik een hippere variant in plaats van de wasbare mondkap die lijkt op een witte omgebouwde sportsok en met een beetje fantasie op een groot stuk dik maandverband. Ook nu beslaan mijn brillenglazen en is het bijna onmogelijk om de krant te lezen.
Het is fijn om na al die maanden van thuiswerken weer een dag per week op de vertrouwde etage in Amsterdam te mogen zitten. Bij binnenkomst zit een welkomstcomité mij op te wachten, de receptioniste, een huismeester en twee jonge dames die mij, na verplicht inchecken, een goodiebag overhandigen met flesje handgel, schoonmaakdoekjes en sleutelhanger annex flessenopener annex uitsteeksel om liftknopje mee in te drukken zonder daadwerkelijk de smet vrezende wijsvinger te gebruiken. Word ik altijd blij van, van dat soort gratis hebbedingetjes, en opgetogen volg ik de wenkende werkstudenten naar de liften en de trap naar boven. Ik háát trappenlopen, ik kan het ook helemaal niet. Na één etage al verzuren mijn benen, mijn knieholten doen zeer en ik hijg amechtig als een oud en afgedaan paard voor de kar van een schillenboer.
Dus gewoontegetrouw loop ik naar de ingang van de lift maar het blijkt de bedoeling te zijn dat men tot en met de vijfde verdieping de trap neemt. De verbijstering op mijn gezicht doet de dames een oogje dichtknijpen: “ze hebben niets gezien”. Maar later op de dag verzekert 1 mijn leidinggevende dat dit een eenmalige geste was, volgende week wordt het weer drukker in het gebouw en dan zal ik er toch aan moeten geloven. Ik ben niet zo bang daarvoor, er valt vast een of andere dispensatie te regelen met een of ander bevoegd persoon die volgens daartoe vastgesteld protocol mij op mijn blauwe ogen gelooft en een liftpasje gaat verstrekken.
Al jaren maak ik hetzelfde grapje over weekendverplichtingen tegenover mijn man: ‘Vanavond weer een feestje bij Broer X of Vriend Y’ en we kijken elkaar dan zielsgelukkig aan in het besef dat het deze week niet echt zo is.
Sociale distantie is niet altijd zo vreselijk. Vaak gewoon ook heel erg lekker.