Op 16 juli heeft het college van B&W van de Provincie Noord-Holland een brief ontvangen over de “opzet voor het regioadvies over programma Verbindingen Aanlanding Wind op Zee (VAWOZ) en het project 380 kV voor Netuitbreiding Noord-Holland Noord (NNHN)”. In deze brief wordt aan de betrokken gemeenten van de provincie Noord-Holland gevraagd een reactie te geven op de eerste opzet voor het regioadvies richting het ministerie van Klimaat en Groene Groei en Tennet.
We hebben kennis genomen van deze opzet en zijn verbaasd over de verschillen tussen de eerste resultaten van de integrale effecten analyse (IEA), het pMER en de opzet van het regioadvies. Daarom hebben wij op 11 augustus jl. een schriftelijke reactie gegeven aan de provincie. Deze reactie vindt u onderstaand bij dit memo. Op 23 september wordt er een werkbijeenkomst georganiseerd over dit onderwerp. Daar wordt deze brief, een mogelijk reactie van de provincie en de huidige stand van zaken ten aanzien van het regioadvies toegelicht.
Geachte gedeputeerde, mevrouw Koeken,
Op 16juli stuurde u ons de ‘opzet voor het regioadvies overprogramma Verbindingen Aanlanding Wind Op Zee (VAWOZ) en het project38o kV voor Netuitbreiding Noord-Holland Noord (NNHN)’. U vroeg ons hierop te reageren. Dit doen wij middels deze brief.
Vooraf
Voor zowel VAWOZ als 38o kV NNHN werkt het bevoegde gezag volgens de notitie(s) voornemen en voorstel voorparticipatie. De aanpak en uitgangspunten in deze notities zijn voor ons leidend voor de gang van zaken.
Het regioadvies wordt gemaakt in het kader van het voornemen en voorstel voorparticipatie. Het is voor ons daarom vanzelfsprekend dat het regioadvies wordt gebaseerd op de bevindingen uit de pMER en IEA die het bevoegde gezag, met inbreng van ons, heeft laten opstellen.
Verschil tussen opzet regioadvies en IEA
Voor het project 380 kV NNHN signaleren wij verschillen tussen de IEA en de bevindingen (de bolletjes) in de opzet regioadvies. Dit is niet zo vreemd, omdat het regioadvies parallel aan de pMER en IEA’s tot stand komt en niet volgordelijk. De keuze om voor het regioadvies niet te wachten totdat de pMER en IEA’s zijn voltooid, leidt nu tot verwarring en onnodige discussie. Door een eigen redeneerlijn op te zetten voor het regioadvies, ontstaat aanleiding voor gemeenten om elkaar te confronteren met zelf gekozen criteria en argumenten, die deels discutabel en tendentieus zijn. Wij vinden ditjammer. Het geeft aanleiding tot polarisaties en vormt een risico om tot een gezamenlijk regioadvies te komen.
Als het gaat om de discrepanties tussen de opzetregioadvies en de pMER en IEA, dan is voor ons het volgende belangrijk:
a. Beoordeel 5 tracévarianten voor 38o kVNNHN
Het bevoegde gezag heeft alle 5 tracévarianten uit de NRD onderzocht. In de opzet regioadvies worden echter slechts 2 tracévarianten behandeld. Het is onduidelijk waarom de andere 3 tracés zijn afgevallen. Hier is geen besluit over genomen. De ‘ongewenste corridors’ worden enkel onderin paragraaf 6 van de opzet regioadvies, een beetje achteraf, met enkele argumenten wat oppervlakkig behandeld. Ze zijn in ieder geval niet inzichtelijk en serieus afgezet tegen de onderzoekuitgangspunten. Wij vragen u om dit alsnog te doen.
b. Het ene rood is het andere niet
Om de onderzoeksuitkomsten overzichtelijk te houden heeft het bevoegd gezag de tracédelen en verbindingsstukken concreet gecodeerd (zie IEA; paragraaf 2.2 van Deel A). In de opzet regioadvies gebeurt dit niet. In de opzetregioadvies wordt weliswaar gesproken over de groene en rode varianten maar het rode tracé uit de opzet regioadvies correspondeert niet met het rode tracé zoals onderzocht in de pMER en IEA. De onderzoeksuitkomsten van pMER en IEA worden hierdoor gemakkelijk verward voor het regioadvies. Wij vragen u een andere kleur te gebruiken voor een afwijkend tracé en daarbij aan te geven uit welke tracéonderdelen die variant is opgebouwd in vergelijking met de definities in de IEA.
c. Laat redeneerlijn regioadvies en uitgangspunten /EA samenhangen
In het voornemen en voorstel voor participatie voor 38o kV NNHN zijn ‘niet-technische en ruimtelijke uitgangspunten’ geformuleerd. Deze uitgangspunten zijn in het voorstel regioadvies niet gebruikt. Op zich kunnen wij begrijpen dat onze regio een eigen redeneerlijn volgt. Maar, als we dat doen, laten we dan helder maken waarom we dat doen, en waarom de redeneerlijn voor het regioadvies de voorkeur geniet. Wij vragen u te verhelderen hoe de redeneerlijn voor het regioadvies zich verhoudt tot de uitgangspunten uit de voornemen en voorstel voor participatie.
Inhoudelijke reactie op het advies
Wij hebben opmerkingen bij het advies in de versie van 16 juli vanaf paragraaf 5. Deze opmerkingen vindt u in de bijlage bij deze brief. Onze opmerkingen zijn geordend naar de tracévarianten zoals het bevoegd gezag die aanhoudt en gebaseerd op de bevindingen uit de pMER en IEA voor 380 kV NNHN. Wij geven nu geen reactie op het advies over VAWOZ (de paragrafen 1 tot en met 4 van uw advies). Wij kunnen niet overzien of een aanlanding voor de Randstad ring beter in Zuid-Holland is te maken, dan in Noord-Holland. Ditzelfde geldt voor de aanlandlocaties en -routes in de kop van Noord-Holland.
Wij vinden het wel een risico dat het regioadvies zich beperkt tot de problematiek bij een enkele masten rij. Voor de pMER en IEA is onderzoek gedaan naar de optie met een 2 mastenrij: alle varianten kennen hiervoor geen beperkingen. Wellicht is zo’n 2° mastenrij voor de korte termijn niet nodig, maar op de langere termijn toch aan de orde als er meer aanlandingen in de kop van Noord-Holland komen. Is het advies over de stationslocaties en het tracé op dit aspect voldoende toekomstbestendig?
Onze slotsom over het gele en rode tracé
Wij hebben de pMER en IEA bestudeerd voor de tracés die over het grondgebied van onze gemeente zijn geprojecteerd. De onderzoekers concluderen voor zowel het gele als rode tracé: ‘sterk negatieve effecten voor de kernwaarden’voor UNESCO werelderfgoed Droogmakerij de Beemster. En ook “Naar verwachting leidt de doorsnijding van een dubbele mastenrij van Droogmakerij de Beemster en de Stelling van Amsterdam (Hollandse Waterlinies) totgrotere effecten op de OUV(= uitzonderlijke universele waarde) dan bij doorsnijding van een enkele mastenrij hetgeval is”. Als site holder kunnen wij daarom geen medewerking verlenen om een mastenrij voor het 38o kV-net door dit werelderfgoed aan te leggen. Dit stellen wij, terwijl we weten dat het hoogspanningsnet versterkt moet worden. Deze noodzaak is er. Zonder meer.
Maar er zijn alternatieven om het stroomnet te versterken waarbij werelderfgoed Droogmakerij de Beemster wordt ontzien. Bovendien wordt momenteel nog gewerkt aan een LHIA (landsdekkend heritage impact assessment) om de effecten van de ontwikkeling van hoogspanningsinfrastructuur door TenneT op UNESCO werelderfgoederen in Nederland te onderzoeken.
Uit de IEA wordt ook duidelijk dat het rode tracé nauwelijks is te realiseren. De onderzoekers schrijven hierover voor een enkele mastenrij: ‘deeltracé ZM2 kruist de A7 enkele keren ter hoogte van Purmerend (door de route van de A7 en in kadering van bebouwing). De positionering van de masten levert dusdanig beperkingen op, dat het noodzakelijk is om in de oksel van de op-afrit een mast te plaatsen. Echter ligt er een ruimtereservering voor een verbreding op de A7 en is het onwaarschijnlijk dat RWS een mast op deze positie toestaat’.
Voor het rode tracé geldt daarbij ook dat de corridor tussen Purmerend en Zuidoostbeemster erg smal is. Wellicht te smal als we rekening houden met de mogelijkheid voor een 2° mastenrij. In de IEA staat “De ligging van de referentielijnen voor twee mastenrijen verschilt op sommige locaties van de referentielijn van de enkele mastenrij”. Dit biedt extra onzekerheid. Wij maken ons hierover ernstige zorgen. Wat betekent dit voor de gezondheid van onze inwoners?
Wij concluderen dat zowel het gele als rode tracé geen reële opties zijn. Er zijn betere mogelijkheden. Bedenk hierbij dat de onderzoekers voor de pMER en IEA tot dezelfde conclusie komen. In de IEA paragraaf 4.5 (Deel B) achten zij de kans op de maakbaarheid én vergunbaarheid voor het rode tracé het kleinst van alle mogelijkheden. De 2° in de rangorde van moeilijk maakbare en vergunbare tracés is de gele variant. Dit is de taxatie als de onderzoekers alle relevante bevindingen overzien.
Wij werken graag en constructief mee aan een goede oplossing voor de versterking van het stroomnetwerk in onze provincie Noord-Holland. In dit kader vertrouwen wij er op dat u onze opmerkingen op een passende manier gebruikt om tot een gedragen regioadvies te komen.
Hebben jullie wel eens goed gekeken naar de huidige hoogspanningsmasten, daar is nog ruimte zat om nog meer in te hangen. Je moet alleen ff iets opschuiven.
Wacht niet langer met je briljante idee, bel ze meteen op!