We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
We hadden met de zussen een heel genoeglijke zaterdagmiddag achter de rug. Al voordat Corona ons sociale leven vrij abrupt lamlegde was de klad erin gekomen. Steeds vaker was er een onderbreking in de heilige traditie van de wekelijkse gang naar de markt en de dijk voor een wijntje op het terras. De ene keer moest de ene zus onverwacht oppassen op de kleinkinderen, dan de ander op pad voor een nieuwe auto/caravan/badkamer of de derde was die week gewoon een beetje grieperig.
Voor we het goed en wel beseften, was er anderhalf jaar voorbij gevlogen en liepen we dan eindelijk weer met zijn drieën, een beetje onwennig, langs de marktkramen. Het duurde zeker een half uur voordat we het kleine stukje van de plantenkraam naar de loempiaboer hadden afgelegd. Het leek wel alsof we onthaald werden. Alsof de rode loper voor ons was uitgerold en alle moeders, dochters en zussen uit het dorp met ons een praatje wilden maken. Het zou natuurlijk ook kunnen dat wij, als koeien die voor het eerst weer de wei in mogen, alle remmingen hadden losgelaten en zélf gretig op iedere voorbijganger af galoppeerden. Toen we drie nichten van vaderskant tegenkwamen draafden we helemaal door. De hoge enthousiaste gilletjes bij het weerzien deden andere marktbezoekers verstoord opkijken. Alleen de dorpse nuchterheid en de nog steeds heersende anderhalve meterregel weerhielden ons van een stevige omhelzing.
Er hing een prettige vibratie in de lucht. Het klinkt wellicht sentimenteel, maar het leek op geluk, of misschien was het ‘gewoon’ een soort van tevredenheid met het moment. We hadden alle drie, zoals het zusters betaamt, dezelfde kleur nagellak gekocht en mooie doucheslippers voor de camping op de kop getikt. Nog één week werken en daarna op vakantie, als godinnen in ons geliefde Frankrijk. Eenmaal thuis gekomen duurde het even (koken, voetbal) voordat ik het bericht in de appgroep van broers en zussen – en zwagers en schoonzussen, want bij ons geen sprake van ‘kouwe kant’ – kon lezen. Een ernstig auto-ongeluk, in het dorp hadden sommigen de sirenes al gehoord, een trauma helikopter in de lucht ontwaard. En hoe vaak denk je dan niet bij jezelf: ‘Oh wat erg, hoe tragisch!’ en glijdt het vervolgens in eenzelfde ademteug van je af of komt het niet eens echt binnen.
Nu kwam het ook niet binnen. Het was ook te bizar voor woorden om te kunnen bevatten. Dezelfde zus die ik twee uur geleden gedag had gezegd – ‘love you, love you too!!’ – zat nu met haar man in het ziekenhuis naast het bed van hun dochter, haar leven bezwerend. Later, in de loop van de avond, krijgen we steeds meer berichten over hoe het ongeluk kon gebeuren. Zoals meestal uit een kleine hoek: onverwacht, onherroepelijk en levens ontwrichtend. De dochter van mijn zus en zwager heeft een engel op haar schouder gehad, in haar geval een hele grote knuffelaap op haar schoot. Er is veel gebroken in haar lijf, maar ze is een taaie meid en God, en wie weet welke Hogere Krachten nog meer, zijn haar welgezind.
Daar willen we op vertrouwen, we kunnen niet anders. Meer op onze hoede, voorzichtiger misschien, een beetje beurser met hier en daar een rafelrandje. En uiteindelijk zal er naast een diepe dankbaarheid steeds meer ontzag voor het leven zijn, in al haar kleine eenvoud.