We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Het gebeurt me steeds vaker dat ik ’s nachts door mijn bedgenoot wakker word gepord. Ik schijn op een zeker moment, meestal rond een uur of vier, te gaan snurken. In mijn beleving wordt er echter alleen gesnurkt door mannen, niet door vrouwen.
Snurken klinkt als zo’n mannelijk woord, hoekig en horkerig; ik zie de bonkige schouders en knokige knieën al voor me. Snurken is iets voor mannen en uitgevonden door trollen en gewoon niet zo damesachtig. Net zoals vrouwen niet horen te fluiten of grove taal zouden moeten gebruiken. “Als een meisje fluit, moet Maria huilen”, sprak ooit de moeder van een schoolvriendin overtuigend. Want nog steeds, wanneer ik een melodietje fluit, moet ik aan haar denken en houd ik me onwillekeurig wat in.
Ik word er altijd hormonaal van wanneer mijn man me bij het ontbijt, met een verwijtende toon in zijn stem, vertelt dat het weer zover was. “Ja, je snurkte en ik moest je weer een zetje geven”. Dat ik daarna, in mijn slaap verstoord, toch zeker twee uur met wijd open ogen wakker lag is voor zijn gebroken nachtrust niet echt compenserend. Sjokkend hijs ik mezelf de trap op om mijn tanden te gaan poetsen. Ik kijk in de spiegel boven de wasbak en zie het vermoeide hoofd, met de karakteristieke familieplooien bij de mondhoeken, de wijkende haargrens bij het al even karakteristieke hoge familievoorhoofd en vraag me echt, oprecht af, in welke slechte film ik ben beland.
Even spoelen, slikken en weer doorgaan en op de echtelijke slaapkamer, waar ik mijn outfit voor die dag bij elkaar zoek, valt mijn oog op het omgewoelde bed, 1.60m breed. Toch wel heel bijzonder dat het grootste deel van de mensheid ervoor kiest om een solistische bezigheid als slapen met iemand samen in één bed te delen.
Natuurlijk is het een prettige bijkomstigheid dat je je ijskoude voeten in geval van nood tussen de benen van je man kan duwen. En eerlijk is eerlijk: hij heeft dat al meer dan veertig jaar getolereerd, de ijsklompen nooit bruusk teruggeduwd. Maar toch: gelet op het mogelijk snurken van een van de twee bedpartners, de koude voeten of tandengeknars (schijnt ook veel voor te komen), de insomnia, nachtmerries en wat een mens nog meer uit zijn of haar slaap kan houden, is het toch vreemd dat echtelieden hun hele huwelijk hardnekkig in één bed blijven slapen.
En je raakt er ook aan gewend hè. Als avondmens ga ik zelden of nooit vroeger naar bed dan mijn man die een echt ochtendmens is. En als het dan een enkele keer gebeurt dat ik er vroeger in/op lig (verschilt nogal per dialect of spreektaal: we gaan erop, of we gaan erin) dan kan ik met geen mogelijkheid in slaap komen. Dan stamp ik met mijn voet op de grond ten teken dat hij NU boven moet komen – naast mij – het licht uit en slapen.
Je zou misschien uit bovenstaande kunnen opmaken dat mijn man een goede sul is en ik een soort van kenau, maar dat is echt niet zo. Trouwens, as we speak, ik hoor hem beneden al weer geagiteerd roepen: “Waar is mijn mobiel, de caravansleutel, de kaasschaaf, het boodschappenbriefje!!” Zuchtend snel ik de trap af naar beneden. Ik ben zijn ogen, zijn geweten, een rots in de branding en oké, soms snurk ik een beetje.