We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Vorige week woensdag gingen mijn zussen en ik voor het eerst op bezoek bij onze nog laatst levende tante. Ze woont sinds enige tijd in het verzorgingshuis op een afdeling voor vergeetachtige mensen. Ik noem het maar even met een verzamelnaam, want ik kan niet zo goed onthouden of het nu Alzheimer, dementie of Parkinson is.
Voor de patiënten maakt het niet veel uit, ze weten het allemaal niet meer zo goed. Ze zijn de chronologische volgorde kwijt en verkeren voornamelijk in het verleden waarbij ze soms, met een schokje, terugkeren naar het heden. Of ze ooit nog met hun gedachten bij een toekomst zijn valt te betwijfelen, daar moet ik bij een volgend bezoek eens op gaan letten.
Behoedzaam keken we door de glazen deur die toegang gaf tot een ruime huiskamer en zagen vier bejaarde vrouwen zitten, hun voorheen immer bezige handen stil in de schoot gevouwen. Tante zat te dommelen, met haar hoofd diep voorover gebogen.
Toen mijn zus haar voorzichtig aanraakte, schrok ze wakker en keek ons verward aan. Bij het herkennen van onze gezichten noemde ze direct de naam van onze moeder en vroeg hoe het met haar ging. En zo moesten we haar bij het allereerste wederzien meteen duidelijk maken dat haar geliefde zus twaalf jaar geleden was overleden. Gelukkig herstelde ze zich verrassend snel na deze eerste schrik.
We sneden de vier meegebrachte moorkoppen in helften zodat de hele tafel kon mee eten. Op de achtergrond klonk zachtjes de stem van Tante Leen, en daarna die van de Zangeres zonder Naam. Zo werd het al snel gezellig in die nagebootste huiskamer met een eikenhouten dressoir en van die ouderwetse fragiele koffiekopjes met bloemetjes. “We komen erin om, in al die koppies en bakjes”, sprak een van de vrouwen aan het hoofd van de tafel. “Iedereen komt ze hier langsbrengen”.
In gedachten zag ik uitpuilende kastjes met het serviesgoed, verzameld op het eindstation. Wij drieën hadden ons halve taartje allang achterover gedrukt terwijl onze tafelgenoten stil genietend, langzaam maar zeker hun gebaksbordje leeg lepelden. Mijn jongste zus verbrak opgewekt de stilte: “Doen jullie ook wel eens iets, schilderen of zo?” waarop tante, ad rem zoals we haar kenden, antwoordde dat er voornamelijk héél veel gezeten werd, de hele dag door.
Maar een van de andere vrouwen veerde op en liet trots een aantal schilderijtjes zien, uitgestald op het dressoir. Ze had de eerste prijs gewonnen tijdens een expositie in het tehuis! Ik bewonderde de tulpen en de haan, in heldere primaire kleuren uitgebeeld. “Ik heb geen huis meer, en daarom woon ik hier”, zo vertrouwde ze me zachtjes toe. Ik voelde aan 1 de blaadjes van een plant die echt leek maar ‘natuurlijk’ kunst was. ‘Nep’, zoals de schildervrouw het noemde. Zelf had ze thuis altijd veel echte planten gehad, maar ze snapte wel dat dat hier niet kon.
Ondertussen kreeg tante nu echt de smaak te pakken en net als vroeger schudde ze het ene na het andere, vaak zelf verzonnen gezegde uit haar mouw. Zoals die ene, die ze gebruikte om niet zulke sympathieke mensen aan te duiden. Die, figuurlijk, ‘niet goed bij hun hoofd’ waren. “Dat is een brok vlees met een paar ogen erin die door een westenwind er per ongeluk ingewaaid zijn”.
In de anders zo stille kamer dreunden de lachsalvo’s nog enige tijd door.