We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Vannacht werd ik wakker gekrijst door een paar krolse katers die achter kermende katten aanzaten (misschien iets teveel alliteratie, maar dat maak ik zelf wel uit). Was net lekker aan het dromen, geen nachtmerrie of zenuwslopende toestanden zoals je vliegtuig missen of naakt over de Dijk lopen. Nee, het was zo’n gemoedelijk huis-tuin-en keukendroompje waar ik nog wel een tijdje in had willen blijven dommelen.
Door dat ongegeneerde vertoon van poezenlibido was ik weer even terug in de tijd in dat kleine huisje in het centrum van ons dorp. Daar ging ik als bijna 19-jarige samenwonen en ontdekte ik spelenderwijs hoe dat nou precies werkt, dat groot en volwassen worden. In de nabije omgeving van de straat waar dat huisje stond, wemelde het van de huis- en zwerfkatten.
In het vroege voorjaar en de herfst werden we bijna iedere nacht uit onze slaap gehouden door dat kattengejank dat zo lijkt op het gehuil van een baby die hevig overstuur is. We hadden zelf ook twee katten, een moederpoes en haar dochter die bij ons een goed leven hadden. Er kleefde echter één groot nadeel voor beide poezen aan het gratis logies in ons knusse huisje. De huisbaas was een relaxed persoon, maar had een belangrijke stelregel omtrent katten en wel dat deze ’s nachts naar buiten moesten, of het nu zomer of winter was, of het nu goot van de regen of vroor dat het kraakte.
Ik sputterde wel eens tegen. Dan lagen ze juist zo heerlijk ontspannen in de bank, een pootje over de dichtgeknepen oogjes geslagen met de overduidelijke boodschap: ‘Laat mij in godsnaam met rust. Laat mij voor de rest van mijn poezenleven op dit kussen liggen spinnen. Wij zullen geen kik geven en we hoeven ook niet te plassen of poepen. Dat doen we morgenochtend wel weer’. Met pijn in mijn hart moest ik toezien hoe mijn vriend ze de bank uit sommeerde, hup vort, wegwezen jullie. In onze keukendeur zat geen kattenluikje, eenmaal naar buiten gedreven betekende de hele nacht buiten blijven.
Het klinkt nu, na ruim 40 jaar, wat overdreven om te beweren dat ik hierover nog steeds een naar gevoel heb. Maar het is wel degelijk zo dat ik bij de herinnering aan die twee huiverende, zacht miauwende katten licht ineenkrimp. Ze keken steevast nog een keer achterom wanneer ze heel langzaam door de opengehouden keukendeur het pand verlieten. Met terugwerkende kracht hoop ik hartgrondig dat ze in die wilde nachten, wanneer het gejank op zijn ergst was, een veilig heenkomen hebben kunnen vinden. In een schuurtje of onder een struik, dicht tegen elkaar aan gedrukt tegen de kou.
Zo zijn er wel meer van die dingen uit mijn vroegere leven die ik graag anders had gedaan of juist had willen laten. Toentertijd met die katten, ja toen was ik nog te bleu wellicht. Te hevig onder de indruk van mijn 8 jaar oudere vriend in wiens woning ik mijn intrek had genomen. Samen met mijn koffer met kleren, een doos met boeken en lp’s en het stofdoekenmandje dat mijn moeder in allerijl voor me had gekocht, inclusief 3 grote stofdoeken, een pot wrijfwas en een kwastje voor tussen de raamsponningen. Dat kwastje is vrijwel ongebruikt gebleven, sorry Ma.