We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.
Mijn allereerste column voor De Zusson, twee jaar geleden in april, ging over de vogels in mijn achtertuin. Hoe de merels nesten bouwen, zo ingenieus en vol toewijding. En hoe de kraaien en eksters dan zitten te wachten op een makkelijk maaltje. Ik ben blij met al die vogels in mijn tuin, ik hou van hun vrolijk gezang van de vroege lente totdat de langste dag in juni verstreken is. Toen ik jonger was deed ik ’s morgens mijn raam dicht om half vijf wanneer het gekwinkeleer losbarstte, maar inmiddels slaap ik rustig weer in, blij dat het voorjaar is begonnen en ik ze weer hoor.
Maar de ganzen vervloek ik soms, nu hun kolonies zich steeds meer uitbreiden met grote gezinnen van acht, soms wel tien kuikens. Vooral die ene gek die bij de achterburen een uitkijkpost heeft gevonden op de schoorsteen waar hij dan een soort van schetterende scheldkanonnade houdt. Je ziet ze ook wel eens in groepjes bovenop het dak waar ze alle dakpannen onderschijten en datzelfde hysterische gakkende geluid maken. Wat doen ze daar in vredesnaam, het is geen gezicht, en ook geen gehoor. Ik trek het dekbed over mijn hoofd en wou dat ik een luchtbuks had.
Later op de dag word ik weer uitgedaagd om in het hier en nu te blijven en storende geluiden om me heen te laten voor wat ze zijn. Vanuit de omgeving van de sportschool, een huizenblok achter onze woning, klinkt het geluid van een dreunende beat. En even later de schelle stem van een sergeant-majoor die haar troepen toeschreeuwt: ‘Eén, twéé, dríe en dóór!! Hou vol, niet opgeven nu!’ Nu moet ik eerlijk bekennen dat ik niet geschikt ben voor sportscholen. Ik ga liever buiten wandelen of fietsen in plaats van me laten commanderen in groepsverband terwijl ik me in een ongemakkelijke houding op een grasveld bevind en mijn bilspleet omhoog kruipt boven mijn afzakkende sportbroek.
Toen ik begon met het schrijven van stukjes voor de lokale krant nam ik me voor om over onderwerpen of voorvallen te schrijven die me in die week bezig hadden gehouden. Zo zou ik altijd verzekerd zijn van inspiratie, van nieuwe inzichten en mijn eigen kijk op het leven kunnen weergeven. Naast de storende geluiden van de ganzen en de sportinstructrice heb ik deze week ook een beklemmende bal in mijn onderbuik ervaren.
Over vijf maanden zitten we alweer in november (voor je het weet ben je dood..) en dan vieren we op het dorp weer de intocht van Sinterklaas en héél veel zwarte Pieten. Voor dit kinderfeest staat alles alweer op scherp, als ik de verwensingen op Facebook mag geloven. ‘Blijf met jullie poten af van onze Pikzwarte Piet!’
In het dorp is men doorgaans nogal angstig voor vreemde lui en dan vooral die met een kleurtje. Die zouden hier alleen maar komen om te halen. Maar dit zijn zeker vreemdelingen, die verdwaald zijn zeker, en ze worden met gejuich binnengehaald. Soms voel ik me als die roepende gans op een schoorsteen van een dak in de woestijn. ‘Toe maar, alsmaar niks zeggen’ suste mijn moeder me vroeger als ik weer te heetgebakerd was. Maar soms moet het eruit, als bij een kokhalzende gans die teveel heeft ingeslikt.