We zijn terug! Met nieuwe en oude momenten, kleine herkenningen, en een vleugje nostalgie. Twee zussen uit Volendam. Gudy schrijft, Angelique schildert.

In de afgelopen week zijn in mijn kennissenkring bovengemiddeld veel baby’s geboren. En toevallig allemaal meisjes, dus ik kon me van harte inleven in het geluk van de nieuwbakken moeders. Misschien is het in een dorp anders dan in de grote stad, of helemaal niet. Misschien verschilt het per land of cultuur, maar ik kan me nog goed de reactie van mijn moeder heugen toen mijn oudste dochter ter wereld kwam. ‘Ziezo, die meid heb je alvast’, klonk haar tevreden constatering, als een toverfee mijn zegeningen tellend. Al had ik daarna nog zeven zonen gebaard, ook geweldig goed natuurlijk, maar binnen is binnen.
Ik was het van meet af aan volkomen met haar eens. Deze dochter was een heuglijk feit, een trofee mij in de schoot geworpen. Dit meisjeskind hoorde voor de rest van mijn leven onlosmakelijk bij mij en mijn eigen wezen van vrouw zijn. Voor moeders die alleen zonen hebben, klinkt dit wellicht als klinkklare onzin in de oren. Alsof moeders van dochters gelukkiger zouden zijn dan die van enkel zonen. Dat wil ik ook helemaal niet beweren, maar ik heb nu eenmaal alleen ervaring met het moeder zijn van dochters. Geloof me, ik smelt zo nu en dan ook weg bij de aanblik van kleine ventjes met van die wijde voetbalbroeken, dunne beentjes en lang opgetrokken voetbalkousen. En natuurlijk had ik met drie knullen net zo content kunnen zijn als nu met mijn drie meiden. Waarschijnlijk echter zou hun verdere volwassen leven dan toch minder dicht bij me afspelen. Zou ik wat minder gefocust op hen zijn, op mijn mannen die nu bij andere vrouwen horen.
Maar met dochters, tja, da’s een heel ander verhaal. Die blijven bij je, of ze dat nu willen of niet, als een leven lang boeiend vergelijkingsmateriaal met de persoon die je tot nu toe geworden bent en met alle vroegere versies van jezelf. Mijn kinderen leven nu hun eigen leven, tenminste dat houd ik mezelf voor. Al te vaak echter zijn mijn gedachten en emoties bij hen, ook wanneer ik dat liever niet zou willen. Maar ik kan niet net doen of ik gek ben of geforceerd onachtzaam zijn. Ik zie het aan de blik in hun ogen, ik merk het aan iets in hun stem, de woordkeuze of interpunctie in hun gewhatsapp, dat ik weet: er is iets mis. Of juist: er is iets verschrikkelijk leuks aan de hand. Vaak wil ik aan hen uitleggen hoe het in elkaar zit, dan wil ik ze het leven voorleven, vóórkauwen zodat het beter verteerbaar wordt. Maar dat willen ze eigenlijk niet. Ze luisteren beleefd wanneer ik vertel over míjn worstelingen, míjn onzekerheid en de verlangens die ik ooit had, maar die nooit zijn uitgekomen. Ik houd ze een spiegel voor: kijk dan, we zijn hetzelfde, dezelfde lotgenoten! Alsof ik daarmee de zwaarte lichter kan maken of hun vreugde nog extra kan benadrukken. Ik voel hoe ze zich behoedzaam afwenden, dat zijn jóuw zorgen Ma, dat was jóuw leven.
Maar toch blijken de dochters eigenlijk de ware stamhouders te zijn, de boel-bij-elkaar houders en zij geven het leven door, in al haar finesses: ‘mijn moeder zou zeggen…’.