Via diverse media zijn wij geïnformeerd over het bestaan en de inhoud van de RIB van 17 december jongstleden inzake Bezoekerscentrum De Breek. Wij hebben lang getwijfeld of, en zo ja op welke wijze, wij hierop zouden reageren. Gezien de impact van deze brief op onze positie als ondernemers en bewoners, achten wij het uiteindelijk noodzakelijk u rechtstreeks te informeren.
Omdat het dossier omvangrijk is, hebben wij ervoor gekozen onze reactie in delen aan u voor te leggen. Deze brief is bedoeld als zelfstandige weergave van onze positie en zorgen. De bijlage dient ter feitelijke onderbouwing en bevat documentatie en nadere toelichting voor wie de onderliggende stukken wil raadplegen.
Openbaarmaking van een privaatrechtelijk geschil
Het college stelt in de RIB dat, hoewel de gemeente geen rol heeft in de privaatrechtelijke verhoudingen tussen de Stichting en de exploitanten, zij wel een belang heeft bij het gebied Etersheimerbraak. Door ervoor te kiezen dit geschil via de RIB openbaar te maken, heeft het college een privaatrechtelijk conflict publiek gemaakt. Dat betreuren wij ten zeerste.
Het college had andere mogelijkheden om de raad te informeren zonder onze belangen als ondernemers op deze wijze te schaden. De gekozen vorm en inhoud van de RIB geven bovendien een onvolledig en op onderdelen onjuist beeld van de situatie. Tevens wordt in de RIB gesproken over “de gemeente”, terwijl het feitelijk gaat om standpunten en handelen van het college van burgemeester en wethouders. Voor een zuivere rolopvatting achten wij dit onderscheid van belang.
Wie wij zijn
In de Raadsinformatiebrief (RIB) worden wij aangeduid als “de exploitanten”. Wij zijn Roel van Rijsewijk en Samantha van den Bos, ouders van twee jonge kinderen. In 2022 hebben wij ervoor gekozen ons leven met ons gezin te verplaatsen naar Oosthuizen om hier een bestaand maatschappelijk initiatief in de Etersheimerbraakpolder voort te zetten en verder te professionaliseren. Onze kinderen gaan sindsdien hier naar de basisschool en wij hebben onze woning in Landsmeer verkocht.
Wij zijn ingestapt in een bestaande exploitatie die op dat moment al ruim zeventien jaar bestond. Voorafgaand aan onze start hebben wij uitgebreid gesproken met het bestuur van de Stichting Etersheimerbraak, een businessplan met financiële prognoses ingediend en kennisgenomen van relevante gemeentelijke visies, verordeningen en beleidsstukken. Ons plan werd positief ontvangen, waarbij vanuit het bestuur expliciet de wens werd uitgesproken om de exploitatie te professionaliseren, openingstijden te verruimen, meer reuring te creëren en een lunchkaart te introduceren.
Voorafgaand aan de indeplaatsstelling heeft de Stichting zich in gesprekken met ons gepresenteerd als een actieve en toekomstgerichte partij, bereid de ambities voor het gebied en het bezoekerscentrum te ondersteunen. Daarbij is expliciet verwezen naar haar beleidsstukken, waarin concrete ontwikkelambities voor de locatie zijn opgenomen. Met onze achtergrond in horeca en evenementen, circulaire economie, sociaal ondernemerschap, bestuurskunde en geschiedenis sloten onze plannen aan bij de ambities die destijds voor De Breek en de Etersheimerbraakpolder werden uitgesproken. Wij waren en zijn ons bewust van de omgeving en van het feit dat de exploitatie een bescheiden inkomen genereert. Desondanks was – en is – dit voor ons een bewuste keuze en een persoonlijke droom. Wij hebben deze stap gezet vanuit betrokkenheid bij het gebied, met de intentie om op lange termijn bij te dragen aan de maatschappelijke, culturele en economische waarde van deze plek.
Contractuele situatie en financiële feiten
De juridische en financiële randvoorwaarden voor de exploitatie zijn vastgelegd in een huurovereenkomst en een samenwerkingsovereenkomst met de Stichting Etersheimerbraak, tot stand gekomen via een indeplaatsstelling in een bestaande situatie. Stichting Etersheimerbraak is verhuurder en bestuurlijk verantwoordelijk voor het erfgoedcomplex. De stichting bestaat sinds 1 januari 2022 en is ontstaan uit een samenvoeging van de voormalige molenstichting en de stichting rond Het Schooltje van Dik Trom, met grotendeels dezelfde bestuursleden. De Stichting kent geen Raad van Toezicht of vergelijkbaar intern toezichthoudend orgaan. Daarmee ontbreekt structurele interne controle op bestuurlijke besluitvorming, financiën en naleving van afspraken, terwijl de Stichting wel verantwoordelijk is voor het beheer van een complex erfgoedobject en als verhuurder optreedt richting de exploitatie.
De overeenkomsten hebben betrekking op de exploitatie van het bezoekerscentrum De Breek (niet zijnde Het Schooltje van Dik Trom). Wij betalen hiervoor jaarlijks €22.200 aan huur. Wij ontvangen geen subsidie en zijn volledig afhankelijk van onze exploitatie-inkomsten. De afspraken zijn gesloten binnen de context van de doelstellingen van de Stichting, die zich richt op het beheer van het erfgoedcomplex en op de economische en toeristische ontwikkeling van het gebied. Op initiatief van de Stichting is er een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat partijen hierin gezamenlijk zouden optrekken richting overheden en andere externe partijen, waarbij de exploitatie van het bezoekerscentrum, met haar 20.000 jaarlijkse bezoekers, een wezenlijk onderdeel vormt.
Aard van het conflict
Het conflict met de Stichting betreft primair ernstig en structureel achterstallig onderhoud, mede als gevolg van een onderschat Meerjarenonderhoudsplan (MJOP). Het onderhoudsniveau is inmiddels van dien aard dat verantwoord exploiteren niet langer mogelijk is, mede in het licht van de wet- en regelgeving waaraan horecapanden anno 2025 moeten voldoen. Als exploitanten zijn wij persoonlijk aansprakelijk in het geval van schade aan derden, bezoekers of personeel. Deze aansprakelijkheid kunnen wij niet dragen wanneer de eigenaar en verhuurder structureel in gebreke blijft ten aanzien van onderhoud en veiligheid. De ernst van de onderhoudssituatie is objectief onderbouwd met onder meer een bouwkundige keuring en een taxatierapport.
Daarnaast is sprake van structureel gebrekkige communicatie en een gebrek aan transparantie vanuit het bestuur van de Stichting. Voor de uitvoering van onze exploitatie zijn wij volledig afhankelijk van besluiten en handelen van de Stichting. Op basis van de samenwerkingsovereenkomst mochten wij transparantie, tijdigheid en voortvarendheid verwachten; dit is in de praktijk uitgebleven. In de RIB wordt vermeld dat de Stichting in mei een brief aan het college heeft gestuurd waarin zij aangeeft dat “het water aan de lippen staat”.
Dit staat tegenover het gegeven dat de Stichting structurele huurinkomsten ontvangt uit het bezoekerscentrum, aangevuld met overige inkomsten, waaronder subsidies. Het is niet inzichtelijk gemaakt waar het gestelde structurele tekort precies uit voortkomt. Tegelijkertijd wordt door de Stichting verwezen naar onderhoudskosten van het bezoekerscentrum, terwijl sprake is van aantoonbaar achterstallig onderhoud. Deze discrepantie roept vragen op over de aard, omvang en besteding van de middelen en rechtvaardigt nadere verduidelijking.
Medio 2025 hebben wij, na langdurige pogingen om gezamenlijk tot een oplossing te komen en het uitblijven van concrete onderhoudsmaatregelen, een advocaat ingeschakeld en de Stichting formeel in de gelegenheid gesteld de gebreken vóór het einde van het jaar te herstellen. Aan deze sommatie is geen gehoor gegeven, waardoor verdere juridische stappen onvermijdelijk zijn. Samengevat zijn wij geconfronteerd met een verhuurder die niet beschikt over de middelen om noodzakelijk onderhoud uit te voeren, de afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst niet nakomt, en een object verhuurt waarvan de bestemming en de technische staat zich niet verdragen met de contractuele bestemming, terwijl sprake is van aantoonbaar achterstallig onderhoud. Dit betreft een privaatrechtelijk geschil tussen twee partijen, zoals ook in de RIB wordt benoemd.
Kwartiermaker & Public Value
Wij hebben volledig en te goeder trouw meegewerkt aan alle trajecten die in de RIB worden genoemd, waaronder het traject met de door het college aangestelde kwartiermaker en het daaropvolgende onderzoek door Public Value. Met de kwartiermaker hebben twee inhoudelijke sessies plaatsgevonden met ons en het bestuur van de Stichting, waarin verschillende scenario’s voor de toekomst van Bezoekerscentrum De Breek en het erfgoedcomplex zijn besproken. Op verzoek van de kwartiermaker hebben wij een rudimentaire businesscase opgesteld. Deze had een verkennend karakter en was bedoeld om inzicht te geven in de vraag of en onder welke uitgangspunten de exploitatie in de basis het erfgoed zou kunnen dragen. In deze fase was nadrukkelijk geen sprake van een uitgewerkt investeringsvoorstel of financieringsopzet.
Vervolgens is besloten een extern bureau te betrekken met de opdracht om uitsluitend deze rudimentaire businesscase te beoordelen. Deze opdracht is verstrekt aan Public Value. Daarbij merken wij op dat dit bureau geen aantoonbare expertise heeft op het gebied van horeca-exploitatie, exploitatiemodellen voor erfgoedlocaties en omzet- en margeanalyses, terwijl juist deze aspecten centraal stonden in de beoordeling. De plannen, verantwoordelijkheden en investeringsopgaven van de Stichting Etersheimerbraak als eigenaar zijn daarbij buiten beschouwing gelaten, evenals de rol, handelwijze en beleidsmatige afwegingen van het college in dit dossier. Anders dan in de RIB wordt gesuggereerd, gaat ons bezwaar tegen dit rapport niet over in onwelgevallige uitkomsten maar over de wijze van totstandkoming en het feit dat het rapport aantoonbare feitelijke onjuistheden bevat en conclusies trekt die niet passen bij de aard en fase van het proces en daardoor een scheef beeld geven. Dit schaadt ons ernstig als ondernemers.
Wanneer ons vooraf een conceptrapport was voorgelegd, had dit eenvoudig kunnen worden voorkomen. Sterker nog: wij hebben zelf om het rapport moeten vragen, op het moment dat wij op zeer korte termijn werden uitgenodigd voor een bespreking op basis van de uitkomsten ervan. Na ontvangst hebben wij schriftelijk en inhoudelijk gereageerd richting college en opstellers. Op deze reactie is tot op heden geen inhoudelijke terugkoppeling ontvangen. Onze inhoudelijke opmerkingen zijn niet verwerkt en zijn de feitelijke onjuistheden ongewijzigd gebleven, terwijl het rapport in de RIB van 17 december onverkort en zonder duiding als richtinggevend aan de raad wordt voorgelegd. Wij achten dit onzorgvuldig, temeer omdat het rapport daarmee een gewicht krijgt dat niet past bij de totstandkoming, de fase van het proces en de geuite bezwaren.
Concreet gaat het daarbij om de volgende punten:
- De plannen zouden niet passen binnen beleidsmatige en juridische kaders. Dit is onjuist. Onze plannen zijn in afstemming met gemeente, Stichting en omwonenden ontwikkeld en gedurende het traject herhaaldelijk ambtelijk en bestuurlijk besproken.
- De businesscase zou geen concreet en uitvoerbaar plan bevatten. Deze conclusie miskent de opdracht en de fase. Er is gevraagd om een rudimentaire businesscase ter eerste toetsing van financiële haalbaarheid, niet om een uitgewerkt investerings- of financieringsplan.
- Er zou geen onderscheid zijn gemaakt tussen publieke taken en commerciële exploitatie. Dit is feitelijk onjuist. Het voorgestelde model voorziet expliciet in een scheiding tussen een onafhankelijke stichting en een afzonderlijke exploitatie-entiteit.
- Er zou sprake zijn van een risico op ongeoorloofde staatssteun. Deze suggestie achten wij juridisch onjuist en disproportioneel. Er worden geen publieke middelen aan ons als exploitanten verstrekt. Een nadere toelichting is opgenomen in de bijlage.
Ook zijn wij van mening dat naast ons businessplan ook de plannen van de Stichting en het college in samenhang moeten worden beoordeeld. Het is immers deze driehoek die een toekomstgericht plan mogelijk moet maken. In de RIB blijft de rol en verantwoordelijkheid van de Stichting onderbelicht, terwijl structurele organisatorische en financiële problemen bij de Stichting — waaronder het uitblijven van onderhoud, investeringen en besluitvorming — direct hebben geleid tot het ontstane conflict en tot een situatie waarin verantwoord exploiteren niet langer mogelijk is, met directe financiële en mentale schade voor ons als ondernemers.
Wat ons ernstig zorgen baart, is de formulering in de aanbiedingsbrief van Public Value, waarin wordt gesteld dat “de relaties tussen enerzijds de exploitanten en anderzijds de Stichting en de gemeente onder druk staan”. De insteek van het traject was juist het vinden van een opening in een vastgelopen privaatrechtelijk conflict met de Stichting, waarbij bemiddeling herhaaldelijk als doel is genoemd. De gekozen formulering suggereert echter een gelijkstelling van partijen en wekt de indruk dat de Stichting en gemeente als één geheel tegenover ons staan. Dit doet geen recht aan de feitelijke verhoudingen, waarin de Stichting haar verplichtingen niet nakomt en het college om ondersteuning heeft verzocht.
De aanbiedingsbrief sluit af met de verwachting dat het rapport de exploitanten, stichting en gemeente verder helpt in het bepalen van richting en het vinden van een duurzame oplossing. Wij delen die verwachting niet. Juist door de grote onzorgvuldigheden, feitelijke onjuistheden en foutieve conclusies in het rapport is het vinden van een oplossing verder dan ooit.
Waterfront en toetsingskaders
In de RIB wordt de exploitatie van Bezoekerscentrum De Breek geplaatst binnen beleidsmatige kaders en toetsingscriteria, waaronder Waterfront en het Stiltegebied. De wijze waarop deze kaders worden gehanteerd en gepositioneerd is onzorgvuldig en verwarrend. Uw raad heeft in november uitgangspunten vastgesteld voor het Programma Waterfront. Een uitgewerkt en vastgesteld programma bestaat op dit moment echter nog niet. Desondanks wordt Waterfront Programma in de RIB, in ambtelijke correspondentie, in de opdrachtformulering en in het rapport van Public Value feitelijk gehanteerd als richtinggevend en vastgesteld toetsingskader. Daarmee wordt vooruitgelopen op besluitvorming die nog bij uw raad ligt.
Daarbij merken wij op dat Bezoekerscentrum De Breek in de afgelopen periode ambtelijk is overgeheveld van de afdeling Ruimtelijke Ordening, waar economie en toerisme zijn belegd, naar de afdeling Samenleving, waar cultuur onder valt. Deze verschuiving heeft gevolgen gehad voor de wijze waarop beleidskaders worden toegepast. In de huidige RIB worden met name ruimtelijke en planologische toetsingskaders betrokken, zoals Omgevingsvisie, Stiltegebied en Waterfront, terwijl deze expertise primair is belegd bij Ruimtelijke Ordening. Tegelijkertijd wordt de behandeling aangekondigd in de Commissie Ruimte van 15 januari, een commissie met inhoudelijke expertise op dit terrein, maar zonder specifieke deskundigheid op het gebied van cultuur en erfgoedexploitatie.
Deze combinatie van ambtelijke verschuivingen en commissiebehandeling draagt bij aan de verwarring in rollen, kaders en verantwoordelijkheden die dit dossier inmiddels kenmerkt. In de RIB wordt aangegeven dat u als raad in de commissie van 15 januari wordt meegenomen in de plannen van het college. Wij zijn bij dit traject niet betrokken en hierover niet geïnformeerd. Uit de inmiddels openbaar gemaakte informatie blijkt echter dat de exploitatie van Bezoekerscentrum De Breek en onze plannen ook binnen deze nadere richting passen. Dit bevestigt hetgeen ons in maart 2025 expliciet is bevestigd door de programmamanager Waterfront en de betrokken wethouder, mw.A. Bootsman: dat onze exploitatie en plannen passend zijn binnen de beoogde richting van Waterfront en daarin als zodanig zijn erkend.
Daarnaast wordt verwezen naar het toetsingskader Stiltegebied. Dit kader is in geen van de eerdere gesprekken of trajecten rondom onze exploitatie met ons gedeeld. Bezoekerscentrum De Breek opereert binnen het vastgestelde horecabeleid voor het buitengebied en beschikt over de benodigde vergunningen. Bovendien is ons door de Provincie Noord-Holland schriftelijk bevestigd dat de aanwijzing als stiltegebied voor de Etersheimerbraak per februari 2026 vervalt.
Tegen deze achtergrond is de situatie rondom de exploitatie van Bezoekerscentrum De Breek niet inhoudelijk van aard, maar primair procesmatig. Door het hanteren van niet-vastgestelde of niet-gecommuniceerde toetsingskaders en door onduidelijkheid in rolverdeling en procesvoering zijn publieke beleidsontwikkelingen verweven geraakt met een bestaand privaatrechtelijk huurder-verhuurder conflict tussen exploitanten en Stichting. Dit heeft geleid tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en tot verdere escalatie van het conflict.
In deze dynamiek zijn tevens publieke middelen, waaronder de steigerfinanciering en bijbehorende middelen, onderdeel geworden van het proces. Deze middelen zijn bedoeld voor gebiedsontwikkeling en publieke doelen, maar zijn betrokken geraakt bij het omgaan met problemen aan de zijde van de Stichting, zonder dat de oorzaken daarvan – zoals het structureel uitblijven van onderhoud, investeringen en een deugdelijk financieel perspectief – integraal en transparant in beeld zijn gebracht. Een nadere toelichting op het Waterfront proces, het Erfgoed Deal traject, de gehanteerde toetsingskaders en de inzet van publieke middelen is opgenomen in de bijlagebijlage.
Hoe nu verder?
Tijdens de sessies met de door het college aangestelde kwartiermaker is vastgesteld dat het museale deel rond Het Schooltje van Dik Trom en het molenerf organisatorisch en functioneel gescheiden dienen te worden. Tevens heeft het bestuur van de Stichting Etersheimerbraak aangegeven dat de omvang van de onderhoudsopgave de draagkracht van de huidige Stichting overstijgt. Op 27 oktober heeft het bestuur van de Stichting Etersheimerbraak in dit verband uitgesproken de mogelijkheid van liquidatie te onderzoeken, hetgeen is vastgelegd in het verslag.
Tegen deze achtergrond is in november Stichting Het Laagste Hoogtepunt opgericht. Deze stichting is ingericht met drie onafhankelijke bestuursleden, een Raad van Advies met inhoudelijke expertise en een uitvoerend orgaan, binnen een transparante governance-structuur waarin rollen en verantwoordelijkheden expliciet zijn gescheiden. Diverse externe partijen zijn bekend met zowel onze exploitatie als de plannen van deze nieuwe stichting en hebben aangegeven hierin een inhoudelijk zorgvuldig en serieus uitgewerkt perspectief te zien.
Wat meer dan twee jaar geleden is begonnen als een privaatrechtelijk huurgeschil, is in de loop van de tijd verbreed en vertroebeld tot een samenstel van uiteenlopende argumenten, doelen en trajecten tussen drie partijen: de exploitatie, de Stichting Etersheimerbraak en de gemeente. Hierdoor zijn inhoud, proces en verantwoordelijkheden door elkaar gaan lopen en is het gesprek niet langer langs heldere en inhoudelijke lijnen gevoerd.
Ons voorstel
Wij stellen voor om de toekomstverkenning voor het gebied te hervatten op basis van openheid, gelijkwaardigheid en inhoudelijke expertise op het gebied van governance, erfgoed, natuur en recreatie. Concreet stellen wij voor dat iedere partij – de exploitatie en Stichting Het Laagste Hoogtepunt, Stichting Etersheimerbraak en de gemeente – een inhoudelijk deskundige vertegenwoordiger aanwijst met voldoende mandaat om gezamenlijk te verkennen welke vervolgstappen realistisch, uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn. Deze verkenning is bedoeld om de ontstane knoop te ontwarren en te komen tot een helder en gedeeld beeld van de opgave en mogelijke oplossingsrichtingen. Pas wanneer deze inhoudelijke basis is hersteld, kan – indien nodig – worden bezien of mediation een passend vervolg is.
Wat wij de raad verzoeken
- Wij verzoeken u de RIB te beoordelen in samenhang met de bijgevoegde nadere toelichting, zodat de context, feiten en onderlinge samenhang volledig worden meegenomen.
- Daarnaast vragen wij u het college aan te spreken op rolzuiverheid en het onderscheid te bewaken tussen privaatrechtelijke verhoudingen en bestuurlijke besluitvorming.
- Wij verzoeken u erop toe te zien dat beleidskaders, rapportages en processen die aan uw raad worden voorgelegd zorgvuldig tot stand komen, gebaseerd zijn op vastgestelde kaders en tot stand zijn gekomen met voldoende hoor en wederhoor.
- Wij vragen u geen verdere conclusies of besluiten te baseren op rapportages en toetsingskaders waarin informatie selectief is gebruikt, beleidskaders nog niet zijn vastgesteld of waarin privaatrechtelijke geschillen zijn verweven met publieke beleidsontwikkeling.
- Wij vragen u om ons voorstel van “verkenners” te steunen waardoor een aanzet gegeven wordt richting een duurzame samenwerking en doelstellingen.
Onze exploitatie ligt inmiddels volledig stil. Iedere verdere stap of vertraging aan de zijde van gemeente of Stichting vergroot de schade voor ons als ondernemers. Wij verzoeken u deze situatie actief te betrekken bij uw kaderstellende en controlerende rol en het college expliciet te vragen ruimte te maken voor het door ons voorgestelde vervolg. Daarbij vragen wij het college duidelijk te maken welke concrete stappen zij ziet om uit de ontstane situatie te komen en verdere schade te voorkomen.
Wij hopen dat deze brief bijdraagt aan een zorgvuldiger en evenwichtiger beeldvorming en zien uit naar een constructieve voortzetting van het gesprek.
Met vriendelijke groet,
Samantha van den Bos – Roel van Rijsewijk