Op mijn twaalfde werd oer-Cats verzamelalbum The end of the show (1980) mijn derde lp. Vernoemd naar de als zwanezang bedoelde laatste single, die acht jaar eerder al was opgenomen. Liefde op het eerste gehoor, en dat is altijd zo gebleven. Vroeg of laat heb ik het altijd weer nodig. Vandaar die nog steeds knagende behoefte aan een goed geschreven analyse van hun muziek. Dat er steeds inhameren van die commerciële prestaties, ik geloof het nu wel. Door Marcel Tuyp en Faralda Houthuijsen
En omdat die daarbij doorgaans pathologische omgang met seks, drugs en royalty-issues, met als toegift dat eeuwige gezeur erover, bij al die popartiesten ook van een hemeltergende voorspelbaarheid is, rest ons de muziek. Toen ik mijn latere mede-auteur Faralda Houthuijsen ontmoette – in het bezit van een bachelor muziekwetenschappen en als freelancejournalist onder andere werkzaam voor het Noord-Hollands Dagblad – besloten wij om die zo nodige analyse dan maar zelf te schrijven. Vanaf het eerste interview tot deze publicatie – feitelijk een zestal essayistische onderling verbonden recensies – zijn bijna twee jaar verstreken. Er is weliswaar veel tijd in gaan zitten, niettemin de investering meer dan waard dunkt ons.
Met muziekkrant OOR in gedachten zouden wij oorspronkelijk een kortere versie schrijven. Zonder ook maar één letter te hebben gelezen, werd ons voorstel direct afgewezen. ‘Onze lezers zijn niet geïnteresseerd in The Cats’. Waarom die Britse MOJO en UNCUT ook op dit punt niet eens tot voorbeeld genomen? Halen zij hun neus op voor een binnenlandse act waarvan wordt beweerd dat hun sound de enige originele popmuziekvariant van eigen bodem is? Wij schatten in van niet. Als de OOR zich slechts bezighoudt met wat elders beter wordt gedaan zou de Nederlandse muziekliefhebber dan niet beter af zijn met een goed geschreven Nederlandse vertaling van de MOJO en de UNCUT?
Hier meer op de site van enClave.