Gisteren gaan we al vroeg naar het ziekenhuis. Jean is onze chauffeur. Ik moet eerst bloedprikken en dan twee uur wachten voor het gesprek. We gaan koffiedrinken met een krwasantje erbij. We kletsen wat en daarna kijken we ook nog even op het dakterras. Het is goedmoedig en gezellig. Ik meld me vervolgens aan om te meten en te wegen. Ik vraag of ik ergens kan liggen en wonderlijk genoeg is dat geen enkel probleem en lig ik even later op een zaaltje met vier a vijf bedden.
Dan komt de oncoloog, Vincent Dezentjé, naar ons toe in plaats van dat wij naar hem gaan. Hij is er opeens. We hebben een heel gesprek over mijn situatie, conditie en cijfers. Het gaat duidelijk niet goed met een Hb van 3,8 en hij wil graag dat ik aansluitend drie bloedtransfusies krijg. De prognose van mijn levensverwachting wordt omlaag bijgesteld maar twee maanden. Daar moet ik op weg naar Jean wel om huilen. We spreken af dat hij naar huis gaat en ons om drie uur weer komt ophalen.
De middag is rustig. Eén transfusie duurt ongeveer een uur. Ik lees wat en ik slaap wat en Lief houdt trouw de wacht over mij. Jean is mooi op tijd en in gezamenlijke troost en berusting rijden we naar huis. Ik kan het niet opbrengen om een stukje te schrijven en verzaak hiermee dus voor het eerst in negen jaar mijn dagelijkse routine. Ik bedenk dat dat voor velen een signaal zal zijn en voor anderen een teken.
Vandaag komt eerst de thuiszorg en dan komt ook mijn nieuwste gadget, een hoog-laagbed. Dat is fijn. Vervolgens komt de palliatieve verpleegkundige voor een lang en intensief gesprek en dan komt de technische dienst voor het verversen van de pleisters van de nefrodrains, die van de nieren, weet je wel. Pé en Erwin komen ook nog even gezellig kletsen en zo rollen we zonder moeite naar het nu waarin ik een stukje schrijf. Ik voel aan alles dat de tijd begint te dringen.