
Wie het Markermeer kent, kent het licht. Het water spiegelt niet alleen de zon, de maan, de hemel of de jagende regenwolken, maar ook het gemoed. Ingedamd, ondiep en zoet gemaakt maar nog steeds dooraderd met de oergeulen van de Zuiderzee: een groots en levend onderdeel van het naar ruimte snakkende Nederland. In licht en wolken kun je niet wonen, daarom klinkt opnieuw de roep om huizenbouw in het Markermeer. Politieke marketeers bedachten al de naam van een imaginaire plek: IJstad, zoals ooit de Markerwaard als polder werd bedacht. Bijna de hele Tweede Kamer heeft inmiddels ‘landhonger’, schreef Yvonne Hofs vier weken terug in de Volkskrant: ‘Het poldervirus waart weer rond in politiek Den Haag.’
Echte polders, klei en zand, grootse daden, handen uit de mouwen. Ook op die manier is het IJsselmeergebied een spiegel: daadkracht in tijden van vertwijfeling. Het makersgevoel dat Nederlanders moet binden. Twee poldermoties werden ingediend en met grote meerderheden aangenomen: één voor onderzoek naar landaanwinning in het Markermeer, één voor hetzelfde langs de Noordzeekust. Groot pleitbezorger Pieter Grinwis, Kamerlid van de ChristenUnie, grijpt graag terug op de Hollandse heroïek van de Zuiderzeewerken en citeert waar hij kan Cornelis Lely, de ingenieur en minister die met wapperende jaspanden in brons is vereeuwigd op de Afsluitdijk: ‘Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst.’
Dat het geen citaat van Lely is (maar een inscriptie bij een monument, aangeboden door de bouwbedrijven) is tekenend: bij grote plannen horen grote woorden, ook al schuren ze langs de werkelijkheid. ‘Als je erover blijft zeiken, komt die stad er nooit’, zei tijdens de verkiezingscampagne D66-Kamerlid, nu minister, Hans Vijlbrief. ‘Als je nu dat besluit neemt, ligt IJstad er over tien jaar.’ Ook zijn partij presenteert bouwen in het water als snelle oplossing voor een complex vraagstuk, al ziet de eigen woonminister Elanor Boekholt-O’Sullivan er weinig in.
IJburg in Amsterdam
Wie het Markermeer kent, kent de golven en de wind. Die weet dat het water zomaar een meter op- of af kan waaien, de kracht ervan. Stedenbouwkundig ontwerper Frits Palmboom maakte dertig jaar geleden het masterplan voor de Amsterdamse Vinex-wijk IJburg, gebouwd op kunstmatig opgespoten eilanden. Nu staat hij in zijn eigen tekeningen, in het houten clubhuis van de lokale watersportvereniging, dat met gigantische ramen een onwerkelijk groots uitzicht biedt op het licht en de wind en de landaanwinning.
Gefascineerd schieten zijn ogen over het resultaat: een coulissenlandschap van losse, achter elkaar schuilende zandeilanden, eindeloze lijnen, baaien en kapen, hoogteverschillen. Niets ligt daar zomaar, zegt hij, alles is bedacht, en toch maakt de dichtbebouwde wijk met twintigduizend mensen deel uit van het landschap. De eerste fase, IJburg 1, is inmiddels stad geworden, IJburg 2 dient zich aan in de vorm van nog eens drie enorme zandeilanden waarop de eerste gebouwen zichtbaar worden: huizen voor nóg eens twintigduizend mensen. Daarachter het eiland Pampus, daarachter Almere Pampus, waar een woonwijk met dertigduizend huizen moet komen. En midden in dat wilde water vragen politici nu om IJstad. Voor nog eens 126 duizend mensen.
Overal ver vandaan
Palmboom was hoogleraar stedenbouw in het deltalandschap aan de TU Delft, en schreef het standaardwerk IJsselmeergebied, een ruimtelijk perspectief. Officieel met pensioen is hij nog steeds bij IJburg betrokken, en bij andere projecten. Van hieruit gezien lijkt IJstad een logische voortzetting, zegt hij – eerder al was er sprake van IJburg 3. Maar Palmboom is niet overtuigd van de nieuwe polderplannen. Om een onverwachte reden: de economische kant ervan.
Het probleem is de locatie. Die lijkt ideaal: tussen Amsterdam en Almere, ‘maar in wezen is het overal ver vandaan’. Zelfs met een goede oeververbinding is het een uur reizen naar de stad. ‘Je loopt het gevaar van een nieuwe suburbane locatie, met veel pendelverkeer.’ En daarmee een lagere huizenwaarde.
Bovendien is land maken op die plek moeilijker, en duur. IJburg schurkt tegen de kust in ondiep water, ‘verder het IJmeer op is het twee keer zo diep’. Zand is schaars aan het worden, wat opspuiten ingewikkeld maakt, het alternatief is een polder bouwen met een ringdijk ‘maar dan moeten die dijken enorm hoog worden’. ‘De voorinvesteringen zijn dus veel groter dan op IJburg, maar de huizen waarmee het moet worden terugverdiend leveren minder op. Dat kan niet uit.’
Tegenvallend populisme Toch is er inmiddels al een ronkende website, IJstad.nl, die aftelt naar de start van de bouw in 2029, alsof er al concrete plannen zijn. Wie erachter schuilgaat wordt goed geheim gehouden, al lijkt de gebruikte taal op die van projectontwikkelaars.
Palmboom heeft het met verbazing bekeken. ‘Woningnood is een serieus probleem’, zegt hij, ‘dat raakt Nederland diep. Maar het voortbouwen op de bestaande stad, en zorgvuldig verdichten, is duurzamer dan wéér een suburbane locatie maken.’ Op die manier kreeg Amsterdam-West er bijvoorbeeld stilletjes al 25 duizend huizen bij, ‘maar dat is niet zo’n sexy verhaal als bouwen in nieuwe polders’. Komt bij: volgens de plannen zou IJburg in 2012 klaar zijn, de gunstigste verwachting is nu 2030 – bouwen in het water ‘duurt altijd vier keer zo lang als je denkt’. En het Markermeer wordt steeds belangrijker als zoetwaterbassin: het vorige kabinet besloot nog dat de ‘bergingscapaciteit’ niet verder verkleind mag worden.
Al met al, zegt Palmboom, valt hem het ‘populisme’ van ChristenUnie en D66 tegen: ‘het presenteren van IJstad als een instantplan om de woningnood op te lossen is volksverlakkerij.’ ‘Wat we de afgelopen decennia als planologen hebben ontdekt, is dat we in een ecosysteem leven en ervan afhankelijk zijn. Daar beginnen alle plannen. Het IJsselmeergebied moet je zien als een soort uiterwaarden op nationale schaal, en bouwen in de uiterwaarden, dat doen we toch ook niet meer?’
Verkeerde volgorde
Wie het Markermeer kent, kent het leven. Lepelaars broeden in de luwte van een lage dijk, oeverzwaluwen nestelen in afgeslagen zand, zeearenden strekken er hun vleugels. Dit is beschermd natuurgebied – ‘dus om nu al plompverloren met grote, ingrijpende bouwplannen te komen’, zegt Roel Posthoorn, ‘is vrij precies de verkeerde volgorde’. Hij geeft een lezing in Durgerdam, oud lintdorp aan de dijk in de schaduw van de nieuwe Amsterdamse wooneilanden. Posthoorn was namens Natuurmonumenten drijvende kracht achter de Marker Wadden, opgespoten natuureilanden voor de kust van Lelystad, die leven brengen in het sinds de indamming relatief doodse water van het Markermeer. Het sluitstuk van een carrière als landschapsbouwer, altijd bezig met de fascinerende grens tussen land en water.
Hij vertelt hoe Hollandse landschappen tijdens de wederopbouw werden platgewalst voor welvaart, tot er in de jaren zeventig verzet ontstond, wat hij ‘de grote opstand’ noemt tegen vervuiling en industrialisatie: ‘Wees wijs met de Waddenzee’, ‘Markerwaard van de kaart’. Duidelijk werd dat ontginning niet alleen winst opleverde, maar ook ‘een verlies van leven’, ‘onze relatie met de grond en het water viel weg, niks was meer van niemand’. Bouwen in water raakte uit de gratie, het inpolderen van het Markermeer tot Markerwaard was een plan te veel. Dat werd in 1891 bedacht door Cornelis Lely, pas in 2003 werd officieel besloten ermee te stoppen. En nu lijkt het tij te keren.
De bouw van de Marker Wadden is een stoer verhaal: een archipel gemaakt van zand, klei en slib, die niets anders dient dan de natuur, opgespoten voor 100 miljoen euro. Het leven tiert er welig, zelfs de zeldzame lachstern heeft er gebroed; het water wordt weer helder. ‘We zijn in staat de natuur geweld aan te doen, maar we zijn kennelijk ook in staat de natuur weer een beetje beter te maken.’
Ecologisch systeem
‘Nederland pioniert al duizend jaar op de grens van land en water’, zegt Posthoorn, ‘het is ons lot, waarschijnlijk blijven we er eeuwig mee bezig. Dus is het logisch dat het als mogelijkheid wordt gezien om het gebrek aan woningen mee op te lossen.’ Maar woningbouw doet de natuur van het Markermeer ook geweld aan. Dat moet eerst een ‘toekomstbestendig ecologisch systeem’ worden, staat in de Rijksstructuurvisie uit 2013. ‘En waarom zou je ingewikkeld doen. Ik woon in Flevoland, daar is nog best wat ruimte om te bouwen. En de regio Zwolle wil honderdduizend huizen erbij.’ Kortom: de nieuwe polderkoorts is te begrijpen, maar onlogisch.
‘Nieuw land maken lijkt werken op een wit vel papier, waar je zonder rekening te houden met gevestigde belangen lekker kunt ontwerpen – dat heeft iets aantrekkelijks. Maar tussen droom en realisatie zit een hele wereld. Een plan is snel getekend, een website is zo gemaakt, maar ik heb aan den lijve kunnen ervaren hoe ingewikkeld het is.’ Het masterplan en de maquette voor Almere Pampus, de laatste grote uitbreidingswijk van de stad, pal aan het IJmeer, liggen bijvoorbeeld allang klaar: 35 duizend huizen kunnen erop. De grond is beschikbaar en in eigendom van het Rijk, maar over bouwen werd de afgelopen decennia alleen maar vergaderd en gepraat – vooral door overheden zelf.
Posthoorn somt een lijst afkortingen op van plannen en beleidsvoorstellen voor bouwen in het Markermeer. IJstad is de laatste in een lange rij. ‘Dat trekt natuurlijk de aandacht, en ik herken de drang naar doen. Er moeten woningen bij. Maar dit is niet de meest voor de hand liggende plek, eerst moet de natuur hersteld. En stel dat je ontwikkelruimte hebt – ik denk dat je tegen bijna onneembare hindernissen zult aanlopen.’
Bestaande polders
Wie het Markermeer kent, weet dat wonen meer is dan huizen. Wat dat betreft zijn de stoere Nederlandse poldersteden in de Zuiderzee nog niet voltooid. ‘Dus waarom’, zegt Eva Vriend, ‘niet eerst investeren in de polders die er al zijn?’ Als cultuurhistoricus schrijft ze veel over de gevolgen van de Zuiderzeewerken voor de samenleving. Maar eerst haar grootste ergernis, als bewoner van het gebied: ‘Dit deel van Nederland is nauwelijks bereikbaar met de trein.’ Dus dat ‘doet een beetje pijn’, wanneer politici alweer nadenken over een hele nieuwe stad in het Markermeer, terwijl de andere nog lang niet klaar zijn. ‘Het klinkt misschien raar, maar ik denk meteen: en wij dan?’
De Zuiderzeepolders waren ook een sociaal project: hier mochten alleen de juiste mensen komen wonen, boeren met ambitie. Naar de oude vissersgemeenschappen keek niemand om. De problemen van Lelystad, Emmeloord en Almere vinden ook daar hun oorsprong, zegt Vriend, ‘en er is zó veel nog niet ingevuld: bereikbaarheid, voorzieningen, onderwijs – waarom dan de vlucht naar voren nemen met een hele nieuwe stad?’ Het is als in de documentaire Nieuwe gronden van Joris Ivens (1933), die eerst vol ontzag de bouw van de Afsluitdijk volgt, en daarna met afschuw ziet hoe de inpoldering niet leidt tot de beloofde wuivende graanvelden met winst voor iedereen, maar vooral de zakken vult van speculanten.
In de polder, zegt Vriend, is de arbeidsproductiviteit relatief laag en zijn er veel laagbetaalde banen, ‘dat is echt een zorg, want dat is niet toekomstbestendig’. ‘Een stad als Lelystad is nog jong, en nog in ontwikkeling. Van politici verwacht je dat ze de huidige problemen zien. En dan komt er wéér een haalbaarheidsonderzoek naar nieuwe polders. Die ingenieurs kunnen dat echt wel, die zullen geen nee zeggen – maar als ik nu over de Afsluitdijk rij, kijk ik toch met andere ogen.’
Magie van de openheid
Wie het Markermeer kent, voelt de verandering. Het Hollands licht bestaat niet meer, zei de Duitse kunstenaar Joseph Beuys in de jaren zeventig: door de indamming en de polders was het water z’n reflectie verloren. Toch is het nog steeds een spiegel, zegt Frits Palmboom terwijl hij in de weidsheid kijkt: noordoost vijf, windstrepen op de vierkante golven. ‘Mijn zorg is dat door alsmaar voort te bouwen in het water, je op een gegeven moment de magie van de openheid kwijtraakt. De openheid is niet oneindig.’ Groot wild water, midden in dichtbevolkt land, als stedenbouwkundige bedacht hij er een term voor: het IJsselmeergebied is een ‘metropolitane verademing’. Een plek die zuurstof geeft. ‘Naarmate Nederland dichter bebouwd raakt, is dat steeds meer waard.’
En wat weg is, is weg.
Goed stuk. Volledig mee eens.
Ik ook. De moeite waard om te lezen.