Zo zag mijn droom eruit vannacht. Of het uitkomt is om het even, de status van legende zal er niet minder om zijn…
De lucht boven het Kras Stadion hing zwaar van verwachting. Alsof zelfs de wolken wisten wat er op het spel stond. Het was zondag. Misschien zomaar een zondag voor de rest van Nederland, maar niet voor Volendam. Niet voor de mensen die hun hele leven in oranje hebben geleefd. Niet voor één man. Robert Mühren trok langzaam zijn shirt recht terwijl hij vanuit de spelerstunnel naar het veld keek. Het gras lag er perfect bij, maar zijn benen voelden zwaarder dan ooit. Niet van vermoeidheid. Van besef. Misschien was dit de laatste keer.
De laatste keer dat hij het shirt van FC Volendam zou dragen.
De laatste keer dat hij de geur van besproeid gras zou ruiken.
De laatste keer dat hij de stemmen van de Dijk zou horen zingen alsof hun leven ervan afhing.
En ergens… deed dat pijn.
Robert was nooit zomaar een spits geweest. Geen grote wereldster. Geen jongen van miljoenen. Hij was van hier. Een jongen van het dorp. Van de haven, van harde wind, van ‘doe maar gewoon’ en familie aan tafel. Een jongen die wist wat het betekende om voor Volendam te spelen.
Niet voor geld.
Maar voor mensen. Voor ”t dorp’ zoals hij dat zo mooi zei.
Voor die oude man op rij zeven die al vijftig jaar geen thuiswedstrijd had gemist.
Voor dat kleine jochie met nummer 21 achterop zijn shirt.
Voor vaders die hun zonen meenamen en zeiden: “Kijk goed jongen… zo hoort clubliefde eruit te zien.”
De tribunes stroomden vol. Mensen zongen harder dan anders. Misschien omdat iedereen voelde wat niemand hardop durfde te zeggen. Als Robert vandaag scoorde… als Volendam vandaag bleef staan… dan zou dit geen gewone wedstrijd worden. Dan zou dit geschiedenis worden. In de kleedkamer keek hij nog één keer rond. Jongens die hij had zien komen als talenten. Trainers die waren vertrokken. Promoties. Degradaties. Feest. Tranen. Alles zat in die muren. Hij dacht aan zijn vroeger. Aan trainen in de regen terwijl niemand keek. Aan dromen die groter waren dan het dorp zelf.
Toen klonk het fluitsignaal.
Negentig minuten later stond het 1-1.
Nog vijf minuten te spelen.
Volendam hing aan een zijden draadje.
Het stadion hield de adem in toen de bal vanaf rechts werd voorgegeven. Te hoog voor iedereen, behalve voor hem. Alsof de tijd zelf even stil ging staan, kwam Robert omhoog. Hij hing in de lucht koppig, vechtend, met heel zijn hart.
Kopbal.
Net binnen de paal.
2-1.
Een explosie van geluid scheurde door het stadion. Mensen vielen elkaar huilend in de armen. Bier vloog door de lucht. Oude mannen huilden zonder schaamte. Kinderen sprongen alsof ze nooit meer wilden landen.
En Robert?
Die rende niet eens meteen juichend weg.
Hij bleef even staan.
Kijkend naar de tribune.
Alsof hij alles tegelijk wilde onthouden.
De gezichten.
De liederen.
De liefde.
Toen kwamen zijn ploeggenoten op hem afgerend, maar zelfs tussen alle chaos zag iedereen het: de tranen in zijn ogen.
Niet omdat hij had gescoord.
Maar omdat hij wist wat dit betekende.
Voor Volendam blijf je niet spelen omdat het moet.
Je blijft omdat het thuis is.
Na het laatste fluitsignaal bleef hij alleen achter op het veld. Het stadion liep langzaam leeg, maar niemand wilde echt weg. Robert liep naar de middenstip en keek nog één keer om zich heen met in zijn hand het handje van zijn dochter die het amper beseft.
Als een heel dorp ooit een gezicht van hoop heeft gehad, dan was het dat van Robert Mühren in het oranje shirt van Volendam, met rode ogen van emotie en een stadion dat zijn naam zong alsof het nooit meer wilde stoppen.
“Mühren… Mühren… Mühren…”
En ergens boven de dijk brak eindelijk de zon door.
